Zwarte adder

Zwarte adder of Red-bellied Black Snake

De zwarte adder (Pseudechis porphyriacus) is een slang uit de familie Elapidae. De zwarte adder wordt ook wel roodbuikige zwarte slang of Red-bellied Black Snake genoemd.

De kleur is zwart, opvallend zijn de helder rode buikzijde en de glanzende schubben. De lengte is 1,5 tot 2,5 meter waarmee het een van de langere Elapidae-soorten is. De kop is nauwelijks te onderscheiden van het lichaam door het ontbreken van een insnoering bij de nek. Een gelijkende soort is Cryptophis nigrescens, welke eveneens zwart is met een rode buik. Deze laatste soort echter heeft alleen een rode kleur op het midden van de ventrale zijde, terwijl bij de zwarte adder de rode kleur doorloopt op de onderzijde van de flanken.

De zwarte adder komt voor in het oosten van Australië, de habitat bestaat uit bossen en vochtige moerassen. De slang leeft in de nabijheid van water waar de prooi wordt gevangen, op het menu staan vooral kikkers, ook kleine zoogdieren, hagedissen en vogels worden gevangen. De soort is dagactief, maar kan tijdens warme nachten ook ’s nachts worden aangetroffen.

De soort is in tegenstelling tot de meeste Elapidae eierlevendbarend en per keer worden 8 tot 40 jongen geboren, die zo’n 22 centimeter lang zijn. Ze komen ter wereld in een dun vlies dat direct na de geboorte wordt opengescheurd door de kronkelbewegingen van de jonge slang. De zwarte adder is giftig maar beten zijn door het schuwe karakter zeldzaam. Bij verstoring zal de slang proberen weg te vluchten in plaats van aan te vallen.

Adders leven strikt solitair en mijden elkaar zoveel mogelijk, behalve in de paartijd. De adder is een uitstekende zwemmer die gemakkelijk rivieren en meren oversteekt. De adder is zowel overdag als ’s nachts actief, afhankelijk van de weersomstandigheden.

De introductie van de giftige Agapad (Chaunus marinus) in Australië heeft vele exemplaren het leven gekost. Uit onderzoek blijkt dat de bek van de zwarte adder gemiddeld steeds kleiner wordt, mogelijk als gevolg van de aanwezigheid van de Agapad. Exemplaren met een kleine bek zijn minder snel geneigd om de grotere padden te eten en pakken de kleinere exemplaren. Deze zijn niet dodelijk waardoor de slang zichzelf niet onbedoeld vergiftigt en zo overleeft. Biologen spreken van een supersnelle evolutie, omdat de pad in 1935 werd geïntroduceerd, heeft deze aanpassing van de kop zich in minder dan 23 generaties ontwikkeld.

Comments are closed.